Geachte afwezigen, Poëziecentrum, Gent, 2017, 248 blz. [essays]

In Geachte afwezigen, een bundel met essays over poëzie, onderzoekt Peter van Lier zijn eigen fascinaties, die hij vervolgens in een ruimere context plaatst. Het boek houdt zich bezig met een gemis, bestrijdt de leegte die het geestesklimaat van het postmodernisme heeft veroorzaakt. De auteur herkent zijn strijd bij dichtende generatiegenoten en zoekt steun bij een voorgaande generatie dichters.
In het werk van Gerrit Kouwenaar, Hans Faverey en Kees Ouwens leek het contact met de dingen in de wereld al verloren. Concentratie op de taal en het bewustzijn was de inzet van deze poëzie. Maar juist bij deze drie dichters is een omslag in hun oeuvre aanwezig die de taal weer relateert aan de werkelijkheid.
In een zo helder mogelijke stijl, zonder jargon, tracht Van Lier zijn filosofische intuïties en poëtische bevindingen te verwoorden. De werkelijkheid wint weer terrein in ons voelen en denken na het lezen van dit boek.

[Verkrijgbaar in de boekhandel over via uitgeverij Poëziecentrum]

Over dit boek schreven: Marc KregtingStefan van den Bossche en Romain John van de Maele.

____

Het inleidende hoofdstuk uit Geachte afwezigen:

De moeilijkste vragen zijn vaak de meest voor de hand liggende. Vraag een dichter: 'Waarom schrijf je poëzie?' De kans is groot dat hij daarop zal reageren met een ongemakkelijke stilte. Het antwoord vraagt namelijk niet om het onderwerp van een gedicht of de motieven in een oeuvre, maar dwingt om dieper in het denken en voelen af te dalen, tot aan de bron waar gedichten ontstaan. Dat is een kwestie die te vergelijken is met de vraag waarom je van iets of iemand houdt. Al snel lijken woorden te klein of te groot om zulke peilingen recht te doen. Maar de vraag is van belang, daarom wagen heel wat dichters zich uiteindelijk toch aan een beschouwing over de waarde en noodzaak van poëzie.
   In 1821 publiceerde Percy Bysshe Shelley A Defence of Poetry. Dit essay richt zich tegen de aantijgingen die het belang van de poëzie ondergraven in een cultuur die steeds meer door wetenschap en technologie wordt beheerst. Wie zich enkel beroept op meetbare resultaten diskwalificeert de poëzie of de kunsten in het algemeen maar al te gemakkelijk. Is hier niet sprake van misplaatste arrogantie, dan toch minstens van onterechte eenzijdigheid. Shelley opent zijn essay dan ook met de constatering dat er twee vormen van denken zijn, waarbij de ene gebruik maakt van de rede en de andere van de verbeelding. Het is niet moeilijk om hier de tegenstelling tussen wetenschap en poëzie in te zien. Is de eerste vooral uit op het constateren van de verschillen tussen de dingen, de tweede richt zich meer op de overeenkomsten. Het verstand kan je wel behulpzaam zijn in het doorgronden van de mens en de wereld, maar juist de verbeelding sticht en toont de noodzakelijke band tussen die twee. Dichters zijn voor Shelley daarom 'de niet-erkende wetgevers van de wereld'.
   In zijn in 1978 gepubliceerde essay De droom van de poëzie spreekt Jacques Hamelink ook over de relatie tussen de mens en de wereld. Die wordt, benadrukt hij, gekenmerkt door tijd, geschiedenis en dus sterfelijkheid. We kunnen als mens kiezen voor verwerping van de tijd, maar streven naar onsterfelijkheid vervult Hamelink alleen maar met angst en afschuw. Sprekend over de tijd concludeert hij: 'Ik had geen keus dan de aanvaarding.' En geldt dat niet voor de meesten onder ons, voor wie enerzijds het religieuze perspectief van eeuwig voortbestaan in de hemel geen optie meer is en zich anderzijds niet wenst over te geven aan een verstikkend nihilisme?
   In zijn jonge jaren al schreef Shelley een vurig pleidooi over de noodzaak van het atheïsme, maar ook zag hij hoe de mens daarmee worstelde. Er is 'in hem een geest (...) die in vijandschap leeft met nietszijn en ontbinding', lees ik in Stem en visioen (1992) van Herman Servotte, een studie waarin de relatie wordt blootgelegd tussen het verdwijnen van God en de – in dit geval Engelse – romantische poëzie. Ik zie erin bevestigd dat er een zware taak rust op de schouders van de niet of niet meer godsdienstige mens. Gelukkig staan hem verbeeldingskracht (Shelley) en het vermogen tot dromen (Hamelink) ter beschikking om een gevoel van verdwijning en afwezigheid niet de overhand te laten nemen. Seamus Heaney introduceert nog een ander begrip om de mens te verzoenen met het moderne wereldbeeld waarin religie ontbonden is geraakt: genoegdoening. In het titelessay van de bundel De genoegdoening van poëzie (1996) schrijft hij:

   De Oxford English Dictionary geeft vier betekenissen voor 'redress',
   genoegdoening, als zelfstandig naamwoord, en ik begon met de eerste 
   betekenis: 'Reparatie van, genoegdoening of compensatie voor,
   ondergaan onrecht of het daaruit voortkomende verlies.’

Heel terecht meldt Heaney wel degelijk rekening te houden met de eerste van de verouderde betekenissen van redress, genoegdoen, als werkwoord:

   (een persoon of een ding) weer overeind zetten; weer overeind gaan   
   staan. Ook fig. weer opzetten, herstellen, opnieuw vestigen.

De intentie van Heaney is daarmee ook de mijne, maar de inzet, genoegdoening voor iets of iemand, vind ik voor onze tijd te bescheiden. God, die dus al in de ervaring van de romantici begon te verdwijnen, werd door Friedrich Nietzsche aan het einde van de negentiende eeuw doodverklaard. Zonder God leek ook de geloofwaardigheid van de wereld als geheel ernstig aangetast of verdwenen. In De vrolijke wetenschap (1976) schreef Nietzsche:

   Hoe hebben wij de zee kunnen leegdrinken? Wie gaf ons de spons, om de
   hele horizon uit te vegen? Wat hebben wij gedaan, toen wij deze aarde
   van haar zon loskoppelden?

En Hamelink borduurt hierop voort vanuit een twintigste-eeuws perspectief waarin de toegenomen technologie ons een alternatieve wereld heeft voorgeschoteld:

   Onze wereld is niet zeer zichtbaar, niet zeer concreet meer. Aan de
   meesten van ons doen wuivende boomtoppen zich precies zo voor als de
   boomtoppen die wuiven op het televisiescherm. Er vindt een voortdurend
   stuivertje-wisselen plaats tussen de voorwerpen en wezens enerzijds en
   hun schimmen anderzijds.  

Dit is nog maar het voorstadium van de hyperrealiteit die de filosoof Jean Baudrillard vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw voor de postmoderne tijd aankondigt, waarin het stuivertje-wisselen met de realiteit helemaal is verdwenen ten gunste van de schimmen die tv en, nog dominanter, computer ons opdringen. Digitalisering heeft een bijna onbeperkte uitbreiding van het beeldenarsenaal teweeggebracht, Baudrillard suggereert een totale overname door de schimmen van de realiteit. Omdat schimmen nog altijd zinspelen op datgene waar zij schaduwen van zijn, spreekt Baudrillard liever van simulaties. Deze nabootsingen bestaan zonder de originelen. Een eerste proeve daarvan is de digitale wereld van Second World (2003), waarin spelers een geïdealiseerd zelf een leven laten leiden in een volkomen virtuele wereld. Zoals Nietzsche de dood van God verkondigde, zo spreekt Baudrillard over 'de moord op het Reële'. Daarom wil ik, in aanvulling op Heaney, het object van de poëtische herstelwerkzaamheden noodgedwongen uitbreiden van een persoon of een ding tot de gehele werkelijkheid.
  
De vraag is nu: tot wat voor defence van de poëzie voel ik mij onder deze condities geroepen? In het woordenboek kom ik twee vertalingen tegen van het Engelse defence, de eerste is: 'verdediging'. A Defence of Poetry van Shelley wordt zo ook vertaald, terecht, Shelley voelde zich bijna persoonlijk aangevallen door een polemisch geschrift van een vriend waarin met poëzie en dichters de vloer wordt aangeveegd, waartegen hij zich wilde verdedigen. Maar verdediging klinkt mij wat te passief in de oren voor de taak waarvoor ik ons in deze tijd gesteld zie. Deze strijd richt zich niet op een lokaliseerbare vijand ergens buiten ons, maar op een alomtegenwoordig woekerende tijdgeest in ons. De houding van passief ondergaan en incasseren is voorbij, inclusief de bijbehorende verdedigingsmechanismes, het is tijd om te reageren met nieuwe, offensieve strategieën die de verloren gegane realiteit in het bewustzijn weer tot aanwezigheid kunnen brengen. De tweede vertaling van defence, 'verweer', klinkt voor dit streven daarom een stuk beter dan 'verdediging'.
   Ik begon deze gedachten te ontwikkelen met mijn eigen fascinaties en mijn eigen gedichten voor ogen. Een filosofische opleiding en enkele literaire voorkeuren stuurden mijn opvattingen. Schrijver Samuel Beckett en dichter Kees Ouwens toonden mij hoezeer het bewustzijn op zichzelf teruggeworpen wordt als de realiteit zich uit de ervaring heeft teruggetrokken, titels als Naamloos (Beckett) en Klem (Ouwens) laten wat dat betreft niets aan duidelijkheid te wensen over. Filosoof Martin Heidegger maakte mij gevoelig voor de dimensie van het zijn van de dingen, die hij later in zijn oeuvre ook met aanwezigheid omschreef. En filosoof Cornelis Verhoeven, met boektitels als Bijna niets en De schaduw van één haar, leerde mij om heel goed te kijken naar minieme aanknopingspunten die mogelijk als sporen leiden naar de aan het bewustzijn onttrokken realiteit. Ook zag ik hoe in de loop van hun oeuvre bij enkele belangrijke Nederlandse dichters, Hans Faverey, Gerrit Kouwenaar en Kees Ouwens, zich een kentering voordeed: een tendens van het steeds meer op de taal en het bewustzijn gerichte schrijven, die de niet-talige werkelijkheid steeds meer buitensloot, sloeg op een gegeven moment om in het tegendeel. Door concrete ervaringen in het leven gedwongen, zo leek het, werden de woorden weer betrokken op de dingen en andere fenomenen die zich aan het bewustzijn voordoen. De taal deed weer verslag van de ontmoeting of confrontatie met de werkelijkheid. Juist door deze nieuwe tendens in hun werk werden zij voor mij leermeesters.
   Daarnaast begon ik in te zien hoezeer mijn eigen poëtische fascinaties ook de inzet zijn van de generatie dichters waartoe ik behoor. Er zijn misschien wel tien dichters die vanaf 1989 debuteerden met wie ik mij verwant voel, hoezeer hun werk onderling ook verschilt. Elma van Haren en Arjen Duinker waren de eersten die een nieuw soort poëzie brachten in de Nederlandse literatuur, een jaar later gevolgd door K. Michel, en tot in de jaren negentig bleken er vele nieuwe dichters te debuteren in wie ik het ongenoegen over het toen heersende geestesklimaat van het postmodernisme herkende, dat door Franse filosofen als Jacques Derrida, Jean-François Lyotard en Jean Baudrillard werd bepaald. De verbroken relatie tussen het denken en de realiteit, waarvan hun werk getuigt, was in de jaren tachtig en negentig zo evident, dat zij in mijn ogen een hele dichtersgeneratie typeert. De manier waarop wij kennis opdoen van de werkelijkheid verloopt bij Derrida via de taal, maar in dit proces van kennisverwerving ontstaat er telkens verschil en uitstel van betekenis. De pogingen om via taal tot de werkelijkheid te geraken stranden in het naar elkaar verwijzen van woorden, die ook nog eens in telkens verschillende contexten gebruikt worden, waardoor er oneindig veel betekenissen mogelijk zijn. In de beeldende poëzie van Van Haren, Duinker en Michel lijkt de band met de realiteit nog aanwezig, maar net als bij de genoemde filosofen is hij niet meer gegrond in een absolute kern en ook niet meer volkomen onbetwijfelbaar.
  
De vraag rijst of er binnen het postmoderne denken helemaal geen mogelijkheid meer is om vanuit de taal en het denken bij de werkelijkheid aan te komen. Lyotard klampte zich vast aan timbres en nuances. Met de abstracte schilderijen van Barnett Newman voor ogen concludeert hij in Het onmenselijke (1992) dat 'het voorwerp van de sublieme ervaring, hier en nu is' ('Here', 'Now' en 'Be' zijn ook titels van Newmans doeken). Juist de voorwerploze aanwezigheid die deze doeken uitdrukken is de paradoxale ervaring waarin het sublieme zich toont. En de overname door de simulaties van de realiteit bleek uiteindelijk ook voor Baudrillard niet volledig te zijn. De cruciale passage uit 'De moord op het Reële', een essay uit De vitale illusie (2002) is:

   Deze volmaakte exterminatie zou eigenlijk alleen bereikt kunnen worden
   als het proces van virtualisatie volledig gerealiseerd zou zijn. Dit
   is gelukkig niet het geval: net als in de beste detectiveromans is de
   misdaad nooit volmaakt. Sommige sporen kunnen nog gevonden worden. 
  
Die laatste zin heeft zich in mijn bewustzijn gegrift en is de inzet van mijn dichterschap geworden. De onttrekking van de realiteit aan de ervaring, die vanaf de romantiek, via modernisme en postmodernisme steeds radicaler en omvattender plaatsgreep, en in het oeuvre van Baudrillard vervolmaakt leek, stokt er gelukkig ook. Baudrillard zocht naar sporen om opnieuw in contact te komen met de werkelijkheid. De Nederlandse dichter Tonnus Oosterhoff maakt er in zijn essaybundel Ook de schapen dachten na (2000) eveneens geen geheim van wat de inzet is van zijn werk: 'het contact met de werkelijkheid herstellen, waar dat verloren is gegaan'. In alle gevallen is er een spanning tussen afwezigheid en het verlangen naar aanwezigheid. De taak die de genoemde denkers, dichters en kunstenaars zich hebben opgelegd is: hoe vanuit een ervaring van afwezigheid weer tot die van aanwezigheid te komen?
  
Het verweer van de poëzie is dus een verweer tegen een tendens in het geestesleven waarin de werkelijkheid in toenemende mate aan de ervaring is onttrokken. Al aan het begin van het moderne denken, bij de zeventiende-eeuwer René Descartes, was de wereld buiten het eigen bewustzijn betwijfelbaar als God er niet de basis van was. Hij functioneerde als de nooit bedriegende bemiddelaar tussen bewustzijn en werkelijkheid. In de filosofie van Immanuel Kant is die rol van God uitgespeeld. De wereld op zich wordt wezenlijk onkenbaar en alles wat we erover zeggen subjectief of illusoir. Voor velen na hem is de wereld zoals die op zich is, al dan niet gehuld in donkerte, ontbonden tot leegte.
   Een vervangende wereld van beelden die niet meer hoeft te verwijzen naar de realiteit, zoals in de hyperrealiteit van Baudrillard, of een vervangende wereld van woorden zoals Kouwenaar en Faverey dat aanvankelijk nastreefden, bleek onhoudbaar. Enerzijds was de misdaad niet volmaakt, de werkelijkheid niet volledig geëlimineerd, anderzijds bleken woorden niet als muzieknoten helemaal op zichzelf te staan. Altijd waren er woorden die bleven verwijzen naar iets wat buiten de taal in de werkelijkheid aanwezig is. 
   Mijn verweer is niet een verdediging tegen een boze opponent, zoals dat bij Shelley het geval was. De aanval die ik wil pareren is fundamenteler van aard. Niet de poëzie in haar talige vorm wordt aangevallen, maar de werkelijkheid waar deze onlosmakelijk mee verbonden is. De pogingen van filosofen en dichters om de taal los te koppelen van de werkelijkheid bleek tot mislukken gedoemd, de autonomie van de taal een illusie. In De droom van de poëzie geeft Jacques Hamelink daarom aan dat het ook voor dichters van belang is dat het bestaansrecht van de werkelijkheid behouden blijft. Hij beroept zich daarvoor op een auteur die, volgens de overlevering, blind was: Homerus. In een heel vroeg stadium van de Europese cultuur, de Griekse, was dus voor een van de grootse dichters de werkelijkheid al in donkerte gehuld, maar in de dromen van de dichter wordt de wereld in alle gedaanten zichtbaar:

   Het oog vertrouwt volkomen op wat het ziet en ook de metamorfosen van
   vis naar waterval en van waterval naar halfgod of demonische
   grotbewoner hebben niets duisters, niets verontrustends. De wereld is,
   tot in de wonderlijkste van zijn vermommingen, betrouwbaar, solide.


Van die betrouwbaarheid en soliditeit kunnen wij nu alleen nog maar dromen. Als wij daar ook maar een deel van zouden ervaren, dan zou ons dat enigszins kunnen geruststellen. Maar romantiek, modernisme en postmodernisme hebben ons alle bouwstenen van betrouwbaarheid en soliditeit ontnomen: God, de realiteit en uiteindelijk ook al haar vermommingen; een gefragmenteerde wereld zonder enige kern of grond is wat rest. Geestelijke verblinding doet niet onder voor fysieke blindheid. De noodzaak om de wereld te herscheppen in de ervaring is voor onze wijd open ogen niet minder noodzakelijk dan achter de gesloten ogen van een blinde dichter in het vroege Griekenland. Ons vertrouwen in wat we zien is bijna tot niets gereduceerd - bijna, want ondanks de onzekerheid is er de hoop dat sporen, nuances en timbres weer iets van de verloren gegane werkelijkheid ervaarbaar maken. Hieruit bestaat het verweer van de poëzie: het ontwikkelen van aanwezigheidsstrategieën. Toen en nu. Een dichter nam een pen ter hand en schreef als aanhef: 'Geachte afwezigen,'. Naast zes dichtbundels schreef hij dit boek.