Een microspoor in de poëzie: over Gerard Reve, Uitgeverij Druksel, Gent, 2008, 24 blz. [essay]

Bij Druksel verscheen van Peter van Lier de tekst Een microspoor in de poëzie: over Gerard Reve. Hier geeft hij een bijna revisionistische lezing van het poëzie-oeuvre van Gerard Reve. Het gaat nu eens niet over het katholicisme, de alcohol of de grappen maar wel om de oriëntatie op de mens. Hij selecteert drie gedichten die werkelijk van belang zijn omwille van hun humane inhoud en hun beeldende vorm. 'In hun volstrekte helderheid zijn de beelden er zo aanwezig dat zij weer raadselachtig worden.' Deze gevoeligheid trekt hij door naar de hedendaagse poëzie en hij ziet die terug in het werk van K. Michel, Erik Menkveld, F. van Dixhoorn, Mustafa Stitou, Edwin Fagel en Annemieke Gerrist.

[Verkrijgbaar bij uitgeverij 
Druksel]

_____

Over hedendaagse poëzie schreef Van Lier ook op De Reactor. Hij schreef er drie essayistische recensies onder de titels: Vanuit de duisternis (over Hans Dekkers), Bidden en bijten (over Nick J. Swarth) en Slapen in hoop (over Lieke Marsman).

Elders kreeg een gedicht van Arnoud van Adrichem zijn aandacht.

_____

De eerste twee bladzijden uit Een microspoor in de poëzie: over Gerard Reve.


1

   De maand mei bracht ik dankzij de Virginie Janssens Stichting door in een atelierwoning in het zuiden van Frankrijk. Huis van natuursteen, met een ommuurde tuin, gelegen op een heuvel - een plek die ook Gerard Reve bevallen zou hebben, daarvan ben ik overtuigd. De ideale omgeving dus om eens na te denken over zijn 'Verzamelde gedichten'. De aanleiding om over zijn poëzie te schrijven is voor mij klein, bijna te klein. Zijn oeuvre bestaat al uit niet veel meer dan honderd gedichten en daarvan zijn er maar twee of drie die voor mij echt ertoe doen. Desondanks voel ik me niet bezwaard om over dit werk iets te zeggen. Het nawoord bij zijn verzamelde gedichten sluit Reve af met: 'als ik met enkele pagina's van deze bundel een aantal lezeressen of lezers blijvend weet te ontroeren, dan acht ik deze uitgave ten volle gerechtvaardigd.' Ook voel ik mij gesteund door een tekst van Cornelis Verhoeven. In 1982 schreef hij de rede 'Lof van de micrologie', daarin toont hij aan dat juist het bestuderen van details in een oeuvre verrassende perspectieven kan bieden. Mijn inzoomen op maar een paar gedichten van Reve is zo'n micrologisch onderzoek.
   Reve begint zijn 'Verzamelde gedichten' met flink wat onvolgroeid jeugdwerk, pas met 'Altijd wat', op ongeveer een vierde van de bundel, opent hij zijn volwassen poëzie. Het gedicht bestaat uit slechts vier prozaïsche zinnen. 'Omdat ik niet slapen kan, klim ik uit bed.' Ogenschijnlijk achteloos neergepend, deze eerste zin. Regel twee: 'Het is half vier. De dag verheft zich, en ik zie' - hier bevindt zich de enig kunstmatigheid in het gedicht, een regelafbreking -: 'Uw gruwelijke Majesteit.' Wat een vreemde constatering voor een kennelijke gelovige. De erkenning van God, niet in Zijn heerlijkheid maar in Zijn gruwelijkheid. De slotregel van het gedicht bevestigt heel paradoxaal toch het geloof in een heilzaam opperwezen: 'Wanneer ik dood ben, hoed dan Teigetje.' Een zinnetje dat blijft hangen in je hoofd.
   Hoewel Reve zichzelf graag zag staan in een romantisch-decadente traditie, lijkt dit gedicht hem ook te plaatsen in een religieus-humanistisch spoor. Twee tendensen die elkaar geregeld kruisen of overlappen in zijn poëzie, en die het intern botsende wereldbeeld van Gerard Reve bepalen. Het romantische lijden doordesemde zijn poëtische jeugdwerk al, met woorden als 'nacht', 'droef' en 'verbitteren' gaf hij daar een invulling aan, ook zijn latere werk blijft daarvan doordrongen. Het decadente ontwikkelt zich in wat de romantische gevoeligheid verwerkt of vormgeeft. Naar mijn mening gebeurt dat bij Reve door een bijna wellustig onderdompelen in de roes - in zijn geval teweeggebracht door seks, of het denken daaraan, en drank -, niet zelden gecombineerd met een ironische geesteshouding.
   Maar noch de verontwaardigd romantische, noch de decadent ironische gedichten genieten mijn voorkeur en ook niet die worden beheerst door religieus getob. Ik wil het hebben over de twee of drie gedichten die mij in de loop der jaren onveranderlijk zijn blijven aanspreken en die van invloed zijn geweest op mijn eigen poëzie, en dat zijn juist de gedichten met een humanistische inslag. Niet het humanisme van de opgelegde goede bedoelingen, maar dat van het invoelende, niet zozeer ten aanzien van de eigen persoon maar gericht op de ander en de wereld. Mijn voorkeuren zijn bijna onthechte, verlichte momenten in een oeuvre dat door zwaarmoedigheid en drankzucht wordt beheerst.